X hits on this document

268 views

0 shares

0 downloads

0 comments

11 / 58

BIJLAGE 3 (blz. 11)

Art. 15. § 1. Bij gebruik van kerosine of gasolie als motorbrandstof voor industriële en commerciële doeleinden in de zin van artikel 420, § 4 van de programmawet van 27 december 2004, kan de inning van de aanvullende accijnzen die het verschil vertegenwoordigen tussen de accijnzen vastgesteld voor dit gebruik en deze vastgesteld voor gebruik als verwarmingsbrandstof, geschieden door middel van een aangifte volgens het model opgenomen als bijlage 12.

Hetzelfde geldt voor vloeibaar petroleumgas, indien het gebruik ervan onderworpen is aan een hoger tarief inzake accijnzen dan dit waartegen het werd verworven.

Die aangifte, opgesteld door de gebruiker van die energieproducten, wordt door hem ingediend bij het hulpkantoor waarvan hij afhangt, uiterlijk de 10e van de maand volgend op de maand van hun gebruik.

§ 2. De handelaar in energieproducten in de zin van hoofdstuk IV van het ministerieel besluit van 27 oktober 2005 betreffende de belasting van energie­producten en elektriciteit kan de betaling van de aanvullende accijnzen bedoeld in paragraaf 1 op zich nemen. Hij kan eveneens de betaling op zich nemen van de aanvullende accijnzen die voortvloeien uit de levering van gasolie gebruikt als motorbrandstof voor industriële en commerciële doeleinden aan een pompstation, overeenkomstig artikel 40, § 2 van het ministerieel besluit van 27 oktober 2005 betreffende de belasting van energieproducten en elektriciteit.

De inning van die aanvullende accijnzen geschiedt door middel van een aangifte volgens het model opgenomen als bijlage 12.

Die aangifte, opgesteld door de handelaar in energieproducten, wordt door hem ingediend bij het hulpkantoor waarvan hij afhangt, uiterlijk de 10e van de maand volgend op de maand van hun levering.

Document info
Document views268
Page views353
Page last viewedFri Dec 02 20:43:15 UTC 2016
Pages58
Paragraphs1291
Words9808

Comments