X hits on this document

96 views

0 shares

0 downloads

0 comments

7 / 45

4 INLEIDING

HISTORIE

Op 6 juli 1999 is het Convenant Benchmarking energie-efficiency getekend. Daarna zijn de inrichtingen individueel toegetreden. Volgens het Convenant zouden de inrichtingen voor 6 januari 2001 een concept Energie-efficiency Plan (EEP) indienen bij het bevoegd gezag en bij het Verificatiebureau Energie-efficiency. De meeste inrichtingen hebben echter meer tijd nodig gehad. Vooral het opzetten van internationale benchmarks vraagt veel tijd.

De verlate concept EEP’s hebben een vertragend effect gehad op de indiening van de monitoringrapporten.

MONITORINGRAPPORTAGE

Volgens het Convenant moet jaarlijks worden gemonitord hoe de inrichtingen zich in het voorafgaande kalenderjaar op energie- en CO2- gebied hebben verbeterd. Daartoe dienen deelnemende inrichtingen jaarlijks - voor 1 april - een monitoringrapport in te dienen bij het Verificatiebureau en het bevoegd gezag.

Belangrijke onderdelen van de rapportages zijn: het energieverbruik per inrichting en per proces, en het effect van de uitgevoerde maatregelen op de CO2-emissie en op het specifieke energieverbruik per eenheid product.

Binnen de afspraken van het Convenant is het monitoren van de inrichtingen in 2002 voor het eerst uitgevoerd. De monitoring betreft de jaren 2000 en 2001, met 1999 als referentiejaar.

Het Verificatiebureau verifieert de gegevens per inrichting en rapporteert daarover aan het bevoegd gezag.

RELATIE MET EEP’S

De grondslag voor het monitoren van de energiebesparingsmaatregelen is gelegen in de Energie-efficiency Plannen van de inrichtingen. Op 1 december 2002 waren 199 Energie-efficiency Plannen ingediend. Het VBE heeft 653 PJ energieverbruik geregistreerd voor de industrie1 ) en 459 PJ voor de elektriciteitsproductiebedrijven. Voor de industrie geldt dat dit energieverbruik overeenkomt met ongeveer 94% van het totale energieverbruik van de energie-intensieve industrie (dus zonder de elektriciteitsproductiebedrijven).

Sinds de tussenrapportage van het Verificatiebureau in februari 2002, is het aantal EEP’s toegenomen. Als gevolg hiervan is de energiebesparing gestegen van 74 PJ tot ongeveer 82 PJ, geprojecteerd in 2012.

De CO2-emissie die wordt vermeden houdt hiermee gelijke tred en heeft zich ontwikkeld tot 5,1 Mton CO2 in 2012 voor de industrie.

VOLLEDIGHEID GEGEVENS

Tot aan 15 december 2002 heeft het Verificatiebureau 121 monitoringrapporten ontvangen en 117 verwerkt. Op deze datum waren van 117 inrichtingen nog geen monitoringgegevens aanwezig, hoewel de Commissie Benchmarking en het bevoegd gezag de bedrijven bij herhaling schriftelijk hebben gewezen op de Convenants-afspraak.

Het voorliggende rapport is gebaseerd op de 117 verwerkte monitoringrapporten. Gezamenlijk dekken de verwerkte rapporten ongeveer 84% van het energieverbruik van de industrie en 74% van het energieverbruik van de elektriciteitsproductiebedrijven.

In bijlage 3 en 4 is een overzicht opgenomen van ingediende EEP’s en monitoringrapportages.

APARTE RAPPORTAGES

Vanwege het verschil tussen industriële bedrijven en elektriciteitsproductiebedrijven, worden de monitoring resultaten separaat gepresenteerd.

1 Onder industrie wordt in deze context verstaan: de energie intensieve industrie. Hieronder vallen inrichtingen met een energieverbruik van meer dan 0,5 PJ per jaar. Voor een aantal inrichtingen is een uitzondering gemaakt. Deze verbruiken per inrichting minder dan 0,5 PJ per jaar.  

Monitoringrapportage Convenant Benchmarking 1999 – 2001Pagina 7 van 34

Document info
Document views96
Page views96
Page last viewedSat Dec 03 01:10:55 UTC 2016
Pages45
Paragraphs1502
Words7718

Comments