X hits on this document

122 views

0 shares

0 downloads

0 comments

8 / 45

5 METHODE

UITGANGSPUNT

Het Energie-efficiency Plan van de betreffende inrichting vormt het uitgangspunt voor het monitoren. Hierin is het energieverbruik en de  CO2- emissie in het jaar van benchmarking beschreven, alsook het specifieke energieverbruik per producteenheid. 2)

De industriële inrichtingen (hoofdstuk 6) zijn verdeeld in branches of groepen. Ondanks de uiteenlopende activiteiten is het mogelijk om rendement en energie-efficiency-index op een eenduidige wijze te bepalen en als collectief te presenteren.

In de energiesector (hoofdstuk 7) worden de cijfers onderverdeeld naar  gasgestookte en kolengestookte elektriciteitsproductie-eenheden vanwege het verschillende bedrijfsprofiel en het type brandstof dat wordt gebruikt.

ENERGIE-EFFICIENCY INDEX

De Energie-efficiency Index (EEI) voor een industriële inrichting wordt bepaald door het gemeten energieverbruik over enig monitoring jaar te delen door het referentieverbruik. Het referentieverbruik is het energieverbruik, dat die inrichting gehad zou hebben, indien de productie van dat monitoring jaar gerealiseerd zou zijn met dezelfde energie-efficiency als in het referentiejaar het geval is geweest. Een dalende index geeft aan dat de energie-efficiency verbetert.

Bij de berekening van de EEI is het mogelijk om een aantal correcties toe te passen: voor proces, milieu en bezettingsgraad.

Voor de meeste inrichtingen is 1999 zowel het referentiejaar als ook het jaar waarop het Energie-efficiency Plan is gebaseerd. Meer details over de methode zijn te vinden in ‘Toelichting Opstellen monitoringrapport’. 3)

In het voorliggende rapport wordt de energiebesparing ook op branche- en groepsniveau gerapporteerd.

PRODUCTIEVOLUME

De berekening van de absolute energieverbruiken en CO2- emissies wordt uitgevoerd op basis van de werkelijke productievolumes die in het betreffende monitoring jaar zijn gerealiseerd.

Prognoses voor de jaren die volgen na 2001 zijn altijd gebaseerd op de productievolumes van 2001 en de in het EEP opgegeven maatregelen na 2001.

ELEKTRICITEITSPRODUCTIEBEDRIJVEN

Voor elektriciteitsproductiebedrijven wordt de EEI op dezelfde wijze bepaald als voor de industrie. Het product is hier echter elektriciteit en het energieverbruik bestaat uit de brandstofinzet minus de primaire energie van ‘nuttige warmte’ (export stoom, etc.). Bijzonder is dat bij de gebruikte definitie van EEI, de productie van ‘nuttige warmte’ vooraf in mindering wordt gebracht op de input aan brandstof, en niet als ‘product’ wordt gezien dat tegelijkertijd met de elektriciteit door de centrale wordt geproduceerd. Dit is gedaan om de vergelijking van diverse types centrales – met en zonder warmte levering -  mogelijk te maken.

2 Onder energieverbruik wordt verstaan het energetisch gebruik van energiedragers. Energiedragers die als grondstof voor producten (bijvoorbeeld NH3, CO en H2) worden gebruikt, tellen niet mee. Er is een verschil in de scheiding die het CBS en het Convenant maken tussen ‘energetisch’ en ‘non-energetisch’ energieverbruik.

3 Zie ook www.benchmarking-energie.nl

Monitoringrapportage Convenant Benchmarking 1999 – 2001Pagina 8 van 34

Document info
Document views122
Page views122
Page last viewedFri Dec 09 15:44:37 UTC 2016
Pages45
Paragraphs1502
Words7718

Comments